7.2 Gezondheidseffecten en biodiversiteit
Er is een relatie tussen gezondheid en de beschikbaarheid van groen en verscheidenheid aan soorten. Deze relatie is geregeld onderzocht, maar niet specifiek voor de regio Rijnmond. In paragraaf 7.2.1 is hierover meer te lezen. Voor deze monitoringsrapportage is een selectie gemaakt van enkele soorten binnen de flora en fauna. Hierover gaat paragraaf 7.2.2.
7.2.1 Groen en gezondheid
Er is een directe relatie tussen een groene leefomgeving en de gezondheid van mensen die er wonen1. Gezondheidseffecten zoals stress, weinig bewegen, weinig sociale contacten, kunnen verminderen in een groene omgeving. Ook zijn er secundaire gunstige effecten, zoals het dempen van omgevingsgeluid en een beperkte relatie tussen bomen en planten en de luchtkwaliteit. Lees hierover meer op deze website.
Ondanks deze relatie tussen groen en gezondheid is het niet eenvoudig (regionale) indicatoren te vinden die inzicht geven in deze verhouding. Ieders gezondheid is namelijk afhankelijk van veel meer factoren dan de aanwezigheid van groen in de directe leefomgeving. Denk daarbij aan roken, bewegen, voeding en dergelijke. Onderzoeken naar tevredenheid van hoeveelheid en kwaliteit van groen zijn daarentegen goed bruikbaar om aanvullend beleid te ontwikkelen. Daaruit blijkt dat de beschikbaarheid en kwaliteit van groen in de buurt bepalend zijn voor het positieve gezondheidseffect van groen.
De vierjaarlijkse Gezondheidsenquête van de GGD Rotterdam-Rijnmond onderzoekt aan de hand van stellingen de beleving van groen. Deze meest recente versie dateert uit 2008. Buurtgroen blijkt belangrijk voor bewoners met een lage sociaaleconomische status, omdat zij nauwelijks recreatiegebieden bezoeken. Zie verder www.gezondheidsatlasrijnmond.nl.
7.2.2 Biodiversiteit
2010 Was het internationale ‘jaar van de biodiversiteit’. Het doel hiervan was om de aandacht voor biodiversiteit te vergroten om zo een verlies aan soorten een halt toe te roepen. Dit doel is niet behaald. Zo is in een aantal soorttrends zelfs een dalende lijn zichtbaar. Voorbeeld is de zorg rondom de daling van het aantal bijen. Bijen spelen een cruciale rol in de bestuiving van gewassen en dragen daarmee bij aan het voortbestaan van deze gewassen en onze voedselproductie.
De regio Rijnmond herbergt een grote biodiversiteit, de biotopen variëren van duin, rivier en estuariene gebieden (overgangsgebieden, bijvoorbeeld het Haringvliet), riet, bos en weiland. Een deel van de regionale biotopen maakt deel uit van het Natura 2000-netwerk van Europese gebieden en is wettelijk beschermd via de Natuurbeschermingswet 1998. Een deel van de biotopen is aangemerkt als provinciale Ecologische Hoofdstructuur. In, maar ook buiten deze gebieden, bevindt zich een breed spectrum aan soorten, waaronder kwalificerende soorten voor natuurkwaliteit. Dit zijn de soorten die meer specifieke eisen stellen aan de habitat waarin zij voorkomen. Sommige van deze soorten genieten bescherming via de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. In de regio zijn belangrijke soorten de rugstreeppad, zandhagedis, nauwe korfslak, groenknolorchis (een orchidee), Noordse woelmuis, lepelaar, visdief, patrijs, tapuit, groene glazenmaker (een libellensoort) en een aantal vissoorten.
Om de biodiversiteit in de regio te monitoren, is een selectie gemaakt uit bestaande gegevens en monitoringprogramma’s. Deze selectie is ten dele representatief. Er ontbreken echter gegevens om betere uitspraken te kunnen doen over biodiversiteit in de regio.
De volgende indicatoren geven informatie over de biodiversiteit. Op grond van de Flora- en faunawet zijn alle vogels in Nederland beschermd. Diverse actoren, waaronder gemeenten, spannen zich in om de achteruitgang van biodiversiteit in het stedelijk gebied binnen enkele jaren tot staan te brengen.
(Klik voor de tekst bij de indicator op de afbeelding.)
De vijf volgende indicatoren tonen de indexen voor de aanwezigheid van soortgroepen broedvogels die kenmerkend zijn voor diverse terreintypen in Rijnmond. Ook deze grafieken bieden een vergelijking met de landelijke trend over de afgelopen jaren, zij het dat het landelijke cijfer voor 2010 nog niet bekend is. De conclusie is gebaseerd op cijfers vanaf 1990. Vanwege de overzichtelijkheid staan alleen de laatste tien jaar in de grafiek.
![]() | ![]() |
![]() | ![]() |
![]() |
(Klik voor de tekst bij de indicatoren op de afbeelding.)
Hieronder staan de indicatoren over de lepelaar en visdief, met daaronder de toelichting over beide grafieken.
![]() | ![]() |
![]() | ![]() |
![]() |
(Klik voor de tekst bij de indicatoren op de afbeelding.)












